Elk jaar sterven in ons land meer dan honderd mensen omdat ze niet tijdig een donororgaan kregen. Het gaat vooral om hart- en leverpatiënten, die nog steeds langer dan anderhalf jaar moeten wachten op een levensreddende transplantatie.
Sinds 1986 bepaalt een wet dat elke Belg die overlijdt, in aanmerking komt als orgaandonor - tenzij men zich daar expliciet tegen heeft verzet tijdens zijn leven. Ondanks die wetgeving vragen de ziekenhuizen altijd de toestemming van de familie om organen weg te halen en wordt de groep mogelijke donoren zo een pak kleiner.
De geschikte donor vinden, blijft dan nog een moeilijke opdracht. Donor en ontvanger moeten dezelfde bloedgroep hebben en voor sommige operaties zelfs een zelfde weefseltypering. Door de grotere veiligheid van auto's en de betere werking van de diensten voor spoedgevallen sterven er in ons land steeds minder jongeren. Zij zijn het best geschikt als donoren.
Wachtlijst
Zwaar zieke patiënten staan door het gebrek aan donoren niet zelden langer dan anderhalf jaar op een wachtlijst voor nieuwe nieren, een nieuw hart of een nieuwe lever.
Elk jaar sterven meer dan honderd Belgen omdat niet tijdig een donororgaan werd gevonden, zegt Luc Colenbie, de transplantcoördinator van het Universitaire Ziekenhuis in Gent. Vooral patiënten die wachten op een hart of een lever, sterven voor de operatie, bevestigt zijn collega Van der Vennet. Naar schatting gaat het om zeven tot acht procent van de personen die op een transplantatie wachten.
Toch scoort België dankzij zijn wetgeving beter dan het buitenland. In 1999 zijn in België en Luxemburg 91 harttransplantaties uitgevoerd. Dat is dubbel zoveel dan in Nederland dat veel meer inwoners telt.